De hele organisatie is met collectief verlof. Behalve mijn mannelijke collega en ik, want een Weekblad verschijnt nu eenmaal niet zonder mensen die het willen schrijven. Ik stap vanochtend de gang binnen en kom terecht in het Rijk der Poetsvrouw.
De radio met volumeknop op tien (of elf). Het ding verspreidt ninetieshits en foute muziek van MNM. De deuren van alle bureaus staan wagenwijd open. De gang is een hindernissenparcours van bureaustoelen, vuilbakken en papierdozen.
Poetsvrouw was duidelijk niet op de hoogte van het feit dat er überhaupt nog iemand zou komen werken, want bij mijn entree kijkt ze alsof ze spoken ziet. ‘Oei’, zegt ze. ‘Goeiemorgen’, zeg ik.
Gezwind stap ik ons redactiebureau binnen. Ik wrijf mijn ogen nog een keer uit. Stoelen zijn buitengezwierd, vuilbakken zijn spoorloos en de kapstok staat bovenop een bureau. Licht is nog uit, de sterke geur van vloerbekledingreiniger prikkelt in mijn neus. ‘Oei’, zeg ik. ‘Goeiemorgen!’, zegt de poetsvrouw.