Ik voer dikwijls het hoogste woord, met mijn typisch Antwerpse (zij het lichte) arrogantie als excuus. Principes zijn mijn hoogste goed en ik pas ze 24 op 24 én consequent toe! Dat zou je toch denken als je mij hoort praten. Maar kritiek geven is makkelijk natuurlijk. Eerst even in eigen boezem kijken. Die principes dus. Als je me er over aanspreekt, zal ik het logisch vinden dat je je fouten toegeeft en goedmaakt. En het spreekt voor zich dat je de 100 belt wanneer je vlammen ziet. Of niet?
Mijn belevenissen van dit weekend bewijzen dat het allemaal zo simpel niet is. Een zwart-wit oordeel helpt niet bepaald bij het zoeken naar een goede beslissing!
Incident 1. Vorige week reed ik de buurvrouw en haar nauwelijks zichtbare hondje bijna van hun sokken. Buurvrouw reageerde nogal snibbig en ik was op mijn tenen getrapt. Maar en fait had ze wel gelijk: in volle vaart over het voetpad sjezen met mijn fiets, dat blijkt niet echt wettelijk toegelaten. Dus slikte ik gisteren mijn arrogantie in: ik kocht een klein maar lieflijk bloemetje voor Buurvrouw en belde aan bij nummer 20. Klaar om mijn trots en eigen gelijk aan de kant te zetten, excuses aan te bieden en mij berouwvol aan haar voeten te werpen.
Het mocht niet baten. Buurvrouw deed niet open. Even zou ik nog gedacht kunnen hebben dat ze niet thuis was, maar het kanten gordijn achter haar raam viel net iets te snel terug in de plooi. Zo’n schrik voor onbekenden? Of wil ze mijn smoel gezicht niet meer zien na dat incident?
Incident twee dat leidde tot een dilemma tussen de keuze voor burgerzin of die voor gemakzuchtig negeren. Ik stap om halfacht de deur uit met een volledige uitrusting om nog snel boodschappen te gaan doen (herbruikbare winkeltas en boodschappenlijstje in de aanslag). Het eerste dat ik zie, in het huis aan het einde van de straat: vlammen achter de ramen van het gelijkvloers. Ik moet er sowieso langs en probeer binnen te kijken. Geen avance, want ondoorzichtige folie voor het raam. Een buurtbewoner kijkt toe en vraagt me of er brand is. Hoe weet ik dat nu?
Het gebeurt wel vaker dat daklozen in onze wijk vol krotten en kraakpanden ‘s winters een gezellig vuurtje stoken. De vlammen in het huis in kwestie kunnen evengoed een haardvuur zijn, toch? OK, een vrij groot haardvuur dan wel. Met mooie oranje vlammen. En het huis is net gerenoveerd, niet bepaald wat je nog een kraakpand kan noemen. Op de eerste verdieping brandt licht. Ik bel aan, geen reactie. Ik spreek een passant aan en vraag wat hij ervan vindt. De man is groter dan ik, maar ziet even weinig als ik. Ondertussen houdt een passerende trambestuurder halt om toe te kijken. Great help!
Ik draai wat besluiteloos rond. Wat kan ik nog meer doen? Wandel uiteindelijk verder richting supermarkt, want die is dicht binnen een kwartiertje. En mijn koelkast is bedreigend leeg. Maar ik bel toch de 100. Je weet maar nooit.
En het bloemetje? Dat heb ik op de vensterbank van buurvrouw achtergelaten. Zou ze het vinden vóór een ander het meepakt? Je weet maar nooit.
[...] Het wordt een vervolgverhaal. Hier en hier kon je al lezen hoe ik achtereenvolgens mijn buurvrouw -en haar hondje- overhoop reed, uit mijn [...]