Achter mij zit een vader met zijn twee zoontjes. Ik kijk stiekem naar hun weerspiegeling in de ruiten van de premetro.
Een vriendelijke vrouwenstam galmt door het voertuig. “Volgende halte: Meir”, zegt ze in perfect, accentloos Nederlands. “Meir!”, aapt het zoontje na.
“Nog eens Meir!”, zegt hij verbaasd wanneer de onzichtbare tramvrouw haar mededeling herhaalt. “Ja. Twee keer”, antwoordt papa. Met een licht Oost-Europees accent.
De andere zoon, iets ouder, kijkt gefascineerd door het raam. Probeert ondanks het pikdonkere zwart in de premetrogangen toch iets te ontwaren.
Twee minuten later. “Volgende halte: Groenplaats”.
“Chroenplats!”, kirt de kleine. “Nee nee, ggggroenplats”, corrigeert papa. “Groenplaats?” Papa knikt. En merkt dat zijn zoon, nu al, mooier Nederlands praat dan hij.