Zonder chauffage

25 oktober 2011

Een man op de bus. “Koud vandaag, hé?” Hij steekt zijn hand even op bij het afstappen.

Een broer of zus belt, zomaar. “Hoe is ’t met u?”

Een spontane, troostende hand op de schouder van iemand die zijn verdriet niet meer de baas kan. “Het komt wel weer goed.”

Een rode Peugeot stopt op een drukke steenweg, om een bende fluovestjes met kinderen erin te laten oversteken. “Dank u, mevrouw!” Zwaaiende handjes.

Een treinbegeleider met een warme stem. “Het personeel op deze trein wenst u nog een zeer aangename dag verder.” Oprecht, dat hoor ik.

Een zondags bezoek aan moeder of grootmoeder. Je favoriete kostje van vroeger op de tafel van vroeger. “Niet te veel eten, er is subiet nog taart en koffie.”

De madam van de kruidenier: “Da zal ’t zijn, m’n engeltje?”

Een kind van 8 vliegt op me af en begroet me met een bijna wurgende knuffel. We zijn niet eens familie.

Een compliment van een volslagen onbekende. “Schone laarzen, mevrouw. Waar hebt u die gevonden?”

Iemand die in je ogen kijkt. “Ik hou van u.”

Of “Je t’ aime”, “I love you”, “Seni seviyorum” of “Wo aì ni”.

Een plotse herinnering aan iemand die je graag hebt gezien. “Weet je nog, toen…?”

Een tienermeisje op straat kijkt. Ze aarzelt, maar lacht toch terug. Lief.

Het wordt kouder buiten. Maar mogelijkheden genoeg om de wereld zelf wat op te warmen. Zonder chauffage.

 


Kaasrelaas

19 mei 2011

“Hebt u iets van gebak met kaas of vlees?” Het leek mij een vrij eenvoudige vraag aan de bakker. Drie klanten lang had ik getwijfeld: zou ik het durven? Ik had vastgesteld dat zij het allemaal anders deden, maar ik raapte al mijn moed bij elkaar en deed het toch op mijn manier.

De man keek me aan met een vriendelijke, schaapachtige glimlach. Alsof ik net een wonderlijke toverspreuk had uitgesproken en hij op het effect wachtte. Mijn magie bleek ongewild te werken, want de bakker bleef me enkele seconden lang verbluft aanstaren. “Vlees”, herhaalde ik. “Of kaas”. En toen spreidde hij zijn handen, haalde hij zijn schouders op en knikte hij van nee. Met een beduusde glimlach erbij. Een duidelijke “Nee mevrouw, ik begrijp u niet”. Dat kon ik zo wel zien. En bovendien lag het gebak met kaas nogal zichtbaar onderaan in de bakkerstoog te blinken.

Ik zwichtte voor de stress van de langzaam aangroeiende rij wachtenden achter me. En probeerde het dan maar in het Frans. Want zelfs met eenvoudige woorden als gebak, vlees en kaas kon de Brusselse bakker blijkbaar geen babbel beginnen. Ik wilde hem nochtans de kans gunnen om -wie weet- zijn moeizaam ingestudeerde Nederlandse woordenschat te oefenen met mij. “Frommaasj”, bracht ik stuntelig uit. En ik puntte mijn wijsvinger in de richting van het bewuste kaasobject. “Pain”. De man ontwaakte uit zijn betovering, griste een papieren zakje van de toonbank en schoof er twee kaasbroodjes in.

Op vakantie in Frankrijk had ik dit ongetwijfeld een charmant winkeluitje gevonden. Ik had gelachen om mijn eigen stuntelige gebrek aan kennis van patisseriefrans. Maar in mijn tweetalige hoofdstad beende ik boos naar buiten. Zelfs geen “dank u” of “tot ziens”? Ik ben hier toch niet op vakantie? Thuis wil ik begrepen worden in de taal die ik thuis spreek!

Eén kaasbroodje en twee straten verder vertraag ik mijn pas. En vraag ik me af waar ik me nu zo druk om maak. Ik spreek toch Frans, wat is dan het probleem? De bakker heeft mij toch begrepen, al is het met gebarentaal? Ik heb gekregen wat ik vroeg, met een gratis glimlach erbij. Wat zit ik me dan op te winden? Of de bakker zijn broodjes nu in het Frans, Chinees, Kamtsjatka of Lingala bakt: kaasbroodjes zijn in alle talen van de wereld even lekker.


In wetten gegoten

27 november 2009

Ik kan er niet bij met mijn verstand. Dronken chauffeurs die toch nog achter het stuur kruipen. Sleutel in het contact, het gaspedaal indrukken, moet nog lukken in die toestand. Snel reageren of op tijd remmen, dat gaat niet meer. Een paar jonge fietsers worden van de kant van de weg geplukt. Een kind loopt de straat op. Veel levens voor altijd verwoest. Voor mij is het simpel: ik kies, tussen drinken en rijden.

Ik kan er niet bij. Met enkele jaren vertraging heb ik binnenkort eindelijk mijn rijbewijs op zak. Als het wetsvoorstel goedgekeurd wordt, mag ik voortaan geen glaasje wijn meer drinken wanneer ik terug naar huis rijd na een etentje.

Ik kan er niet bij. In de krant lees ik over die vreemde hype onder jongeren, “comazuipen”. Gezellig samenkomen met vrienden, iedereen neemt een fles sterke drank mee. En dan maar om het stoerst doen, om het meest drinken. Tot je bijna -of in veel gevallen zelfs écht- in het ziekenhuis belandt.

Ik kan er niet bij. Als ik een auto wil kopen met mijn bijeengeschraapte spaarcentjes, moet ik als jongere een torenhoge verzekeringspremie betalen.

Ik kan er niet bij. Op feestjes, fuiven en in discotheken staan de jongeren aan het begin van de avond stil langs de kant. Ondanks de muziek die al speelt. Pratend, gebarend, drinkend. Tot een paar glazen alcohol de gemoederen los hebben gemaakt en de feestgangers een dansje durven placeren. Bij een aantal jongeren, maar gelukkig niet bij allemaal, leeft de overtuiging dat amusement en drank onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Ik kan er niet bij. Als milieubewuste twintiger zou ik graag autodelen via het Cambiosysteem, maar ik mag niet. In de lijst met voorwaarden voor inschrijving lees ik: “minimum twee jaar beschikken over rijbewijs B”.

Moeten politici mij nu echt op voorhand straffen voor dingen die ik niet gedaan heb? Moet gezond verstand dan echt opgelegd worden door wetten van bovenaf?


De vensterbank

29 september 2009

Ik woon in een buurt waar welgestelde mensen het liefst van al wegblijven. Vanochtend nog moest ik om een hoop vuilnis heen lopen die op mijn stoep was uitgekieperd. Even verderop steek ik de straat over omdat kraakpand nummer één een ondraaglijke geur verspreidt. En ter hoogte van kraakpand nummer twee balanceer ik op de rand van de stoep omdat ik precies weet op welke plek de dakgoot lekt.

Op het pleintje achter de hoek hangen dag en nacht dakloze mensen rond, soms zingend en lachend, soms drinkend van goedkope bierblikjes en iedereen de huid vol scheldend. En van de pakweg 150 mensen die in mijn straatje wonen, durf ik te gokken dat er 100 zijn die het buitengewoon moeilijk hebben om elke maand rond te komen. De oude mevrouw die alleen woont met haar gehandicapte zoon, het gezin in dat kleine appartement, de buurman die om 6u vertrekt om te gaan werken en nooit thuiskomt vóór middernacht.

Ik kan mezelf echt niet toestaan om etensresten of overschotten in de vuilniszak te kieperen, wetend dat veel van mijn buren -met of zonder dak boven hun hoofd- dikwijls honger moeten lijden. Hopla, weg ermee? Nee. De muesli die ik niet lekker bleek te vinden en het halve pak sla dat ik niet opkreeg, belanden in een plastic doosje of zak op mijn vensterbank. En geloof het of niet, maar binnen het halfuur zijn de restjes op mysterieuze wijze verdwenen.

Voor de actie van de Europese boeren, die 25 miljoen liter melk weggieten over hun velden en in rivieren, kan ik dan ook geen greintje begrip opbrengen. Een schaamteloze, oneervolle, scandaleuze actie die getuigt van héél weinig inlevingsvermogen. Hebben die boeren dan zelf nooit honger of dorst gekend? Ze hebben het moeilijk, hun bedrijven zitten in nesten, daar moeten oplossingen voor gezocht worden. Maar geen enkel probleem, hoe prangend ook, rechtvaardigt de gigantische verspilling van voedsel.

Volgende keer, beste boeren, nodig ik u uit in mijn wijk. En dan mag u uw melk komen uitgieten in kannen en flessen. Die ik met veel plezier op mijn vensterbank zal plaatsen.


Paradijs

11 juni 2009

In de tuin van onze buurman stond een pracht van een boom. Een japanse kerselaar, met miljoenen roze blaadjes die in de lente als dromerige sneeuw naar beneden dwarrelden. Die roze sneeuw was elk jaar opnieuw, zonder dat iemand het wist, mijn meest geliefkoosde speelgoed.

Het spel begon wanneer ik de zware poort van Buurman hoorde dichtslaan. Buurman weg, tuin voor mij alleen! Dan kroop ik met mijn kleuterbeentjes vlotjes over de muur. Om aan de andere kant te landen in het paradijs. Poef, twee voeten op een zacht tapijt van bloesemblaadjes. Even links kijken, even rechts. Was de tuin leeg?

Dan kon de pret beginnen. Rollebollen in het roze, onbezonnen buitelen in de zee van bloemblaadjes. Ik ging op mijn rug liggen, helemaal bedekt met blaadjes, en veranderde in een prinses met roze jurk. Ik droomde gelukzalig weg in de stipjes helblauwe hemel tussen de takken van de Boom. En ik sprong recht, gooide de bloesem als zachte confetti de lucht in, en giechelde luidop zoals alleen een meisje van vijf dat kan. Momenten om te koesteren.

Buurman is dood, nu. Ikzelf ben jaren geleden al verhuisd. Maar onlangs passeerde ik toevallig mijn vroegere thuis. De Boom was weg. Omgehakt. Geen meisjes van vijf meer om te dartelen onder zijn kruin.

Vorige week zag ik mannen in pak op tv, op een boot. Ze voeren over de Schelde en keken naar een bos. “Dáár komt de aansluiting op de Ring”, wees er één. “Dat wordt een prachtig zicht, die constructie!” “Aha, is dat nog allemaal ongebruikt gebied?”, vroeg een ander. Met lichtjes in de begerige ogen, dromend van de tonnen cement en baksteen die hij zou laten aanvoeren. “Ja,” antwoordde een derde, “dat is daar maar natuurgebied hé.” Weg met de bomen, leve de brug. Denkt u nu echt, heren van die liberale partij, dat meisjes van vijf blij zullen buitelen en dansen onder uw betonnen bomen?


Net als in de film

23 april 2009

Hij is de wereld bijna uit. Wie goed zoekt, vindt hem nog in zwartwitfilms en in vele meisjesdromen. Hij is nochtans zo gegeerd: de echte gentleman. Met de ouderwetse flair van Gene singin-in-the-rain Kelly, de beschaafde manieren van Colin meneer Bridget Jones Firth en het voorname voorkomen van Sean Connery als de ultieme James Bond.

Alle feministische inspanningen ten spijt: ik wil er ook eentje. En er mogen er ook veel meer op mijn trein naar het werk springen, want vanmorgen ging het daar weer goed fout. Probeer maar eens op de trein te raken wanneer er een hoop hippe zakenlui in goede conditie klaarstaat om te sprinten en te vechten voor een zitplaatsje. De yuppies missen dikwijls zelfs het respect om uitstappende reizigers voor te laten. Een bende vechtersbaasjes uit een slechte actiefilm, zonder Bond-allures.

Waar zijn ze toch, die gentlemen? Die mannen, liefst in driedelig pak, die galant hun plaats opofferen voor een jongedame in bus of tram. Ze houden de deur voor je open en laten je voorgaan. Ze zijn immer galant en charmant. Ze rijden de auto voor met slecht weer, zodat mevrouw niet door de regen hoeft te lopen. La vita è bella! Ze zouden het leven er zoveel mooier en aangenamer op maken.

Goed, sommige vrouwen vinden het vervelend of ronduit beledigend wanneer een man zich behulpzaam en attent toont. Gelijke rechten hebben we gevraagd, gelijke rechten hebben we gekregen. Maar toch. Stiekem vind ik het wel leuk wanneer meneer spontaan de te zware boodschappentas overneemt. Stiekem geniet ik ervan wanneer mijn eigen gentleman mijn jas helpt aantrekken. En ik moet toegeven dat zo’n ondersteunende arm verdorie handig is wanneer je met hoge hakken over kasseien sukkelt. Net als in de film, maar geen James Bond die er tegen op kan.


Energieverslindend

10 maart 2009

Als ik kwaad ben, heb je verschillende mogelijkheden. Ik kan licht geïrriteerd zijn. Soms ben ik op mijn tenen getrapt. Koleirig, dat kan ook. Of heel erg verontwaardigd.

Maar echt razend kwaad, ronduit woest, zo’n bui waarin je met verwijten gaat slingeren en zin hebt om -bij wijze van spreken- iemand in elkaar te timmeren? Dat overkomt me zelden. Maar ik voel het: nu is het bijna zover. De spanning stapelt zich op en heeft bijna haar kookpunt bereikt.

Held woont net in een nieuwe studio. Vier bij vijf meter, pas gerenoveerd, goed geïsoleerd, hartje Brussel. Hij verwarmt de kamer met een kleine gaskachel. En zijn nieuwe energieleverancier wil hem een verbruik aanrekenen waarmee ik zonder moeite een villa zou kunnen verwarmen.

Daar kan een mens “gewoon kwaad” van worden. De echte, pure woede kwam er pas toen we probeerden om die fout te laten rechtzetten. Vier mails. Twee faxen. Zesentwintig telefoontjes, naar mijn energieleverancier en netbeheerder. Vier met zijn huisbaas. Eentje naar de informatiedienst van de federale overheid.

En om het helemaal te gek te maken: na al die tijd- en geldverspilling is zijn probleem nog altijd niet opgelost. We worden van veel kastjes naar nog meer muren gestuurd. Razend kwaad word ik daarvan!

Ik heb niets tegen de callcenter-medewerkers van mijn energiemaatschappij hoor. Fijne mensen, ik ken ze ondertussen bijna allemaal. Sofie, beleefd en professioneel. Nathalie, heel efficiënt en hulpvaardig. Jeroen, een starter die alleen maar procedures bovenhaalt.

‘t Is niet hun schuld, wel die van hun op winst beluste bazen. Wat ik nodig heb, is iemand die mij objectieve informatie geeft in de jungle van energiefacturen, contracten, voorschotten en afrekeningen. Waar blijft die beloofde federale ombudsman?

Ik zal volhouden tot het bittere einde. Ik zal blijven telefoneren, mailen, faxen, ik ga desnoods persoonlijk naar het hoofdkantoor van zijn leverancier. Maar wat moeten mijn kansarme buren dan, die geen uren naar het 078-nummer van de klantendienst kunnen bellen? Wat moet mijn oma, die niet zo goed is met paperassen, wanneer de energieleverancier met haar voeten speelt?


Wat moet een vrouw anders aanvangen?

15 december 2008

Twee vrouwen in de Veritas. Ze zijn doorgedrongen tot het hoekje helemaal achteraan, volgestouwd met naaigerei allerhande. Het plekje van plezier voor iedere Burda-lezeres. Mijn excuus om daar rond te hangen: het gat in mijn rechterhandschoen wordt echt wel groter dan aanvaardbaar. Het excuus van de vrouwen: de schoondochter.

Ik ga op zoek naar naaigaren in exact hetzelfde donkerblauw als mijn handschoen en luister stiekem mee naar hun conversatie. Nu ja, stiekem. Het stemvolume van de memmende madammen doet vermoeden dat ze een gesprek proberen aan te knopen met de kassierster twintig meter verder. Maar het is de creahoek-verantwoordelijke van de knoppenwinkel die ongevraagd, doch met veel genoegen, betrokken wordt bij de conversatie.

“Madam! Ik zoek een setje om te naaien, zoiets waar alles in zit wat ge nodig hebt! Mijne zoon is juist gaan samenwonen met mijn schoondochter. Maar nu heeft dat kind niet eens gerief in huis om te naaien!”
Arme, arme schoondochter. Schaamt gij u niet?
“Oei oei”, repliceert de winkeldame. “Dat kan toch niet zijn! Maak u geen zorgen, we gaan dat probleem rap oplossen. Ik heb hier wel zo’n setje voor beginners zie, met alles erop en eraan.”
“Fantastisch! Ja, nu mijne zoon uit huis is, moet hij bij mij niet meer afkomen met zijn sokken om te stoppen he.”
Kan de zoon dat dan niet zelf leren?
“Ik zeg altijd, een vrouw die moet drie dingen kunnen: koken, strijken en naaien. Wat moet ge anders aanvangen wanneer ge dat niet kunt?”

De madammen beamen volmondig. Veritas, de winkel van de waarheid. Ik waan me een moment lang in een huiskamer die verdacht veel naar de jaren vijftig ruikt, met Bond-Zonder-Naamkalender aan de muur en een gloeiend hete stoof. De madam met de schoondochter vraagt nog of de winkeldame het naaisetje kan inpakken. Van een suggestief kerstcadeau gesproken.


Water

20 november 2008

Ik heb een fantastische huisbaas. Op zondag is mijn lavabo stuk, op maandag bel ik hem op en op dinsdag is mijn lavabo gefikst. Kan ik ’s ochtends weer wakker worden met een frisse plas water in mijn gezicht. En met veel gebruiksgemak mijn tanden poetsen en handen wassen. Want er komt weer water uit mijn kraan. Deugddoend warm of verfrissend kou, al naargelang mijn wispelturige wensen. Nu kan ik weer zalig urenlang in mijn badkamer blijven plakken, tot groot onbegrip van de mannelijke wederhelft.

Ik ben dus blij dat er weer water uit mijn badkamerkraan komt. Maar eigenlijk zou ik daar elke dag blij om moeten zijn. Want aan het begin van deze eeuw liepen er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie nog meer dan een miljard mensen op onze wereldbol rond zonder toegang tot drinkwater. En daarbij maakt het niet eens uit of het water stroomt of niet. Meer dan een zesde van onze wereldbevolking weet gewoon niet of hij ziek gaat worden wanneer hij zijn dorst lest met water.

Verbijsterend nieuws. Maar de krant was nog onverbiddelijker vanmorgen: die vertelde me dat er in 2080 maar liefst drie keer zoveel mensen geen toegang tot drinkbaar water zou hebben. Drie miljard dorstige mensen. Door de klimaatopwarming. Grofweg gezegd: één op twee mensen van de huidige wereldbevolking kan dan zijn glas niet met een gerust hart leegdrinken. In theorie betekent het dat de helft van uw toekomstige kinderen/kleinkinderen waarschijnlijk ziek gaat worden door het drinken van besmet water.

Ik vermoed dat het in de praktijk niet jouw kinderen/kleinkinderen zullen zijn die geen toegang zullen hebben tot proper en drinkbaar water. Want zij zullen, naar alle waarschijnlijkheid, niet in India, China of Afrika wonen. En het is net daar waar de mensen steeds verder zullen moeten lopen om hun waterkruik te vullen. Het zal daar zijn waar steeds meer epidemieën zich zullen verspreiden via het vuile water. Ver van ons bed, maar evengoed onze verantwoordelijkheid.

Misschien toch maar even aan denken wanneer ik volgende keer de kraan in de badkamer zo lang laat lopen en het drinkwater zomaar door de afvoer spoel.

Meer lezen?


2114

7 november 2008

Ik zat weggedoken in mijn sofa, onder een warm dekentje en met veel te kleine oogjes. Het was bijna 6u ’s morgens. Op dat tijdstip zit ik doorgaans niet voor het televisiescherm, maar voor een historische gebeurtenis als de voorbije presidentsverkiezingen in de VS maakte ik graag een uitzondering. Iemand had me een paar minuten eerder wakkergebeld met de blijde boodschap. “Hij heeft gewonnen!”

Dus zat ik samen met ongetwijfeld miljoenen anderen te wachten tot Barack Obama op het podium stapte voor zijn overwinningsspeech. Ik geeuwde langgerekt. Iets na zessen was het zover. Mijn ogen traanden en kippenvel liep over mijn armen en rug. Van moeheid. Of waren het toch de hoopvolle woorden van die toekomstige president die mij iets deden?

Naast de God bless America’s en de Yes we can’s bleef me vooral 1 verhaal bij: dat van Ann Nixon Cooper. Een kranige Amerikaanse dame van 106 jaar. Ondanks die gezegende leeftijd bracht ze toch haar stem uit.

Ik probeer me voor te stellen hoe blij mevrouw Cooper is dat ze dit moment nog mag meemaken. Het moment dat een zwarte man tot president verkozen wordt. Want zij groeide op in een tijd dat de slavernij nog maar net was afgeschaft. Zij mocht een héél lange tijd niet stemmen. Eerst omdat ze niet de juiste huidskleur had, later omdat ze een vrouw was. Zij moest op een andere bus, naar een ander openbaar toilet en naar andere restaurants en cafés dan haar blanke medeburgers. Zij zag hoe een zwarte predikant die droomde van gelijkheid koelbloedig werd neergeschoten.

En ondertussen veranderde de wereld razendsnel. Van paardenkar via auto naar jumbojet. Van klerken en brieven via opgetutte typistes naar mailberichten, met één klik de wereld rond. Twee wereldoorlogen, beurscrash en oliecrisis, een seksuele revolutie: mevrouw Cooper zag het allemaal passeren. Wat een hemelsbreed verschil moet dat zijn, tussen de wereld van haar jeugd en de wereld van vandaag.

De ellende is de wereld nog lang niet uit. Ik zie nog elke dag trieste voorbeelden van racisme, van uitbuiting en armoede, van profitariaat en onverschilligheid. Maar als we de komende 100 jaar even hard ons best doen om onrecht de wereld uit te helpen als de voorbije eeuw… Wie weet in wat voor -hopelijk betere- wereld we dan binnen 106 jaar leven?

annnixoncooper


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.