De vensterbank

29 september, 2009

Ik woon in een buurt waar welgestelde mensen het liefst van al wegblijven. Vanochtend nog moest ik om een hoop vuilnis heen lopen die op mijn stoep was uitgekieperd. Even verderop steek ik de straat over omdat kraakpand nummer één een ondraaglijke geur verspreidt. En ter hoogte van kraakpand nummer twee balanceer ik op de rand van de stoep omdat ik precies weet op welke plek de dakgoot lekt.

Op het pleintje achter de hoek hangen dag en nacht dakloze mensen rond, soms zingend en lachend, soms drinkend van goedkope bierblikjes en iedereen de huid vol scheldend. En van de pakweg 150 mensen die in mijn straatje wonen, durf ik te gokken dat er 100 zijn die het buitengewoon moeilijk hebben om elke maand rond te komen. De oude mevrouw die alleen woont met haar gehandicapte zoon, het gezin in dat kleine appartement, de buurman die om 6u vertrekt om te gaan werken en nooit thuiskomt vóór middernacht.

Ik kan mezelf echt niet toestaan om etensresten of overschotten in de vuilniszak te kieperen, wetend dat veel van mijn buren -met of zonder dak boven hun hoofd- dikwijls honger moeten lijden. Hopla, weg ermee? Nee. De muesli die ik niet lekker bleek te vinden en het halve pak sla dat ik niet opkreeg, belanden in een plastic doosje of zak op mijn vensterbank. En geloof het of niet, maar binnen het halfuur zijn de restjes op mysterieuze wijze verdwenen.

Voor de actie van de Europese boeren, die 25 miljoen liter melk weggieten over hun velden en in rivieren, kan ik dan ook geen greintje begrip opbrengen. Een schaamteloze, oneervolle, scandaleuze actie die getuigt van héél weinig inlevingsvermogen. Hebben die boeren dan zelf nooit honger of dorst gekend? Ze hebben het moeilijk, hun bedrijven zitten in nesten, daar moeten oplossingen voor gezocht worden. Maar geen enkel probleem, hoe prangend ook, rechtvaardigt de gigantische verspilling van voedsel.

Volgende keer, beste boeren, nodig ik u uit in mijn wijk. En dan mag u uw melk komen uitgieten in kannen en flessen. Die ik met veel plezier op mijn vensterbank zal plaatsen.


Net als in de film

23 april, 2009

Hij is de wereld bijna uit. Wie goed zoekt, vindt hem nog in zwartwitfilms en in vele meisjesdromen. Hij is nochtans zo gegeerd: de echte gentleman. Met de ouderwetse flair van Gene singin-in-the-rain Kelly, de beschaafde manieren van Colin meneer Bridget Jones Firth en het voorname voorkomen van Sean Connery als de ultieme James Bond.

Alle feministische inspanningen ten spijt: ik wil er ook eentje. En er mogen er ook veel meer op mijn trein naar het werk springen, want vanmorgen ging het daar weer goed fout. Probeer maar eens op de trein te raken wanneer er een hoop hippe zakenlui in goede conditie klaarstaat om te sprinten en te vechten voor een zitplaatsje. De yuppies missen dikwijls zelfs het respect om uitstappende reizigers voor te laten. Een bende vechtersbaasjes uit een slechte actiefilm, zonder Bond-allures.  

Waar zijn ze toch, die gentlemen? Die mannen, liefst in driedelig pak, die galant hun plaats opofferen voor een jongedame in bus of tram. Ze houden de deur voor je open en laten je voorgaan. Ze zijn immer galant en charmant. Ze rijden de auto voor met slecht weer, zodat mevrouw niet door de regen hoeft te lopen. La vita è bella! Ze zouden het leven er zoveel mooier en aangenamer op maken.

Goed, sommige vrouwen vinden het vervelend of ronduit beledigend wanneer een man zich behulpzaam en attent toont. Gelijke rechten hebben we gevraagd, gelijke rechten hebben we gekregen. Maar toch. Stiekem vind ik het wel leuk wanneer meneer spontaan de te zware boodschappentas overneemt. Stiekem geniet ik ervan wanneer mijn eigen gentleman mijn jas helpt aantrekken. En ik moet toegeven dat zo’n ondersteunende arm verdorie handig is wanneer je met hoge hakken over kasseien sukkelt. Net als in de film, maar geen James Bond die er tegen op kan. 


Energieverslindend

10 maart, 2009

Als ik kwaad ben, heb je verschillende mogelijkheden. Ik kan licht geïrriteerd zijn. Soms ben ik op mijn tenen getrapt. Koleirig, dat kan ook. Of heel erg verontwaardigd.

Maar echt razend kwaad, ronduit woest, zo’n bui waarin je met verwijten gaat slingeren en zin hebt om -bij wijze van spreken- iemand in elkaar te timmeren? Dat overkomt me zelden. Maar ik voel het: nu is het bijna zover. De spanning stapelt zich op en heeft bijna haar kookpunt bereikt.

Held woont net in een nieuwe studio. Vier bij vijf meter, pas gerenoveerd, goed geïsoleerd, hartje Brussel. Hij verwarmt de kamer met een kleine gaskachel. En zijn nieuwe energieleverancier wil hem een verbruik aanrekenen waarmee ik zonder moeite een villa zou kunnen verwarmen.

Daar kan een mens “gewoon kwaad” van worden. De echte, pure woede kwam er pas toen we probeerden om die fout te laten rechtzetten. Vier mails. Twee faxen. Zesentwintig telefoontjes, naar mijn energieleverancier en netbeheerder. Vier met zijn huisbaas. Eentje naar de informatiedienst van de federale overheid.

En om het helemaal te gek te maken: na al die tijd- en geldverspilling is zijn probleem nog altijd niet opgelost. We worden van veel kastjes naar nog meer muren gestuurd. Razend kwaad word ik daarvan!

Ik heb niets tegen de callcenter-medewerkers van mijn energiemaatschappij hoor. Fijne mensen, ik ken ze ondertussen bijna allemaal. Sofie, beleefd en professioneel. Nathalie, heel efficiënt en hulpvaardig. Jeroen, een starter die alleen maar procedures bovenhaalt.

‘t Is niet hun schuld, wel die van hun op winst beluste bazen. Wat ik nodig heb, is iemand die mij objectieve informatie geeft in de jungle van energiefacturen, contracten, voorschotten en afrekeningen. Waar blijft die beloofde federale ombudsman?

Ik zal volhouden tot het bittere einde. Ik zal blijven telefoneren, mailen, faxen, ik ga desnoods persoonlijk naar het hoofdkantoor van zijn leverancier. Maar wat moeten mijn kansarme buren dan, die geen uren naar het 078-nummer van de klantendienst kunnen bellen? Wat moet mijn oma, die niet zo goed is met paperassen, wanneer de energieleverancier met haar voeten speelt?


Water

20 november, 2008

Ik heb een fantastische huisbaas. Op zondag is mijn lavabo stuk, op maandag bel ik hem op en op dinsdag is mijn lavabo gefikst. Kan ik ’s ochtends weer wakker worden met een frisse plas water in mijn gezicht. En met veel gebruiksgemak mijn tanden poetsen en handen wassen. Want er komt weer water uit mijn kraan. Deugddoend warm of verfrissend kou, al naargelang mijn wispelturige wensen. Nu kan ik weer zalig urenlang in mijn badkamer blijven plakken, tot groot onbegrip van de mannelijke wederhelft.

Ik ben dus blij dat er weer water uit mijn badkamerkraan komt. Maar eigenlijk zou ik daar elke dag blij om moeten zijn. Want aan het begin van deze eeuw liepen er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie nog meer dan een miljard mensen op onze wereldbol rond zonder toegang tot drinkwater. En daarbij maakt het niet eens uit of het water stroomt of niet. Meer dan een zesde van onze wereldbevolking weet gewoon niet of hij ziek gaat worden wanneer hij zijn dorst lest met water.

Verbijsterend nieuws. Maar de krant was nog onverbiddelijker vanmorgen: die vertelde me dat er in 2080 maar liefst drie keer zoveel mensen geen toegang tot drinkbaar water zou hebben. Drie miljard dorstige mensen. Door de klimaatopwarming. Grofweg gezegd: één op twee mensen van de huidige wereldbevolking kan dan zijn glas niet met een gerust hart leegdrinken. In theorie betekent het dat de helft van uw toekomstige kinderen/kleinkinderen waarschijnlijk ziek gaat worden door het drinken van besmet water.

Ik vermoed dat het in de praktijk niet jouw kinderen/kleinkinderen zullen zijn die geen toegang zullen hebben tot proper en drinkbaar water. Want zij zullen, naar alle waarschijnlijkheid, niet in India, China of Afrika wonen. En het is net daar waar de mensen steeds verder zullen moeten lopen om hun waterkruik te vullen. Het zal daar zijn waar steeds meer epidemieën zich zullen verspreiden via het vuile water. Ver van ons bed, maar evengoed onze verantwoordelijkheid.

Misschien toch maar even aan denken wanneer ik volgende keer de kraan in de badkamer zo lang laat lopen en het drinkwater zomaar door de afvoer spoel. 

Meer lezen? 


2114

7 november, 2008

Ik zat weggedoken in mijn sofa, onder een warm dekentje en met veel te kleine oogjes. Het was bijna 6u ’s morgens. Op dat tijdstip zit ik doorgaans niet voor het televisiescherm, maar voor een historische gebeurtenis als de voorbije presidentsverkiezingen in de VS maakte ik graag een uitzondering. Iemand had me een paar minuten eerder wakkergebeld met de blijde boodschap. “Hij heeft gewonnen!”

Dus zat ik samen met ongetwijfeld miljoenen anderen te wachten tot Barack Obama op het podium stapte voor zijn overwinningsspeech. Ik geeuwde langgerekt. Iets na zessen was het zover. Mijn ogen traanden en kippenvel liep over mijn armen en rug. Van moeheid. Of waren het toch de hoopvolle woorden van die toekomstige president die mij iets deden?

Naast de God bless America’s en de Yes we can’s bleef me vooral 1 verhaal bij: dat van Ann Nixon Cooper. Een kranige Amerikaanse dame van 106 jaar. Ondanks die gezegende leeftijd bracht ze toch haar stem uit.

Ik probeer me voor te stellen hoe blij mevrouw Cooper is dat ze dit moment nog mag meemaken. Het moment dat een zwarte man tot president verkozen wordt. Want zij groeide op in een tijd dat de slavernij nog maar net was afgeschaft. Zij mocht een héél lange tijd niet stemmen. Eerst omdat ze niet de juiste huidskleur had, later omdat ze een vrouw was. Zij moest op een andere bus, naar een ander openbaar toilet en naar andere restaurants en cafés dan haar blanke medeburgers. Zij zag hoe een zwarte predikant die droomde van gelijkheid koelbloedig werd neergeschoten.

En ondertussen veranderde de wereld razendsnel. Van paardenkar via auto naar jumbojet. Van klerken en brieven via opgetutte typistes naar mailberichten, met één klik de wereld rond. Twee wereldoorlogen, beurscrash en oliecrisis, een seksuele revolutie: mevrouw Cooper zag het allemaal passeren. Wat een hemelsbreed verschil moet dat zijn, tussen de wereld van haar jeugd en de wereld van vandaag.

De ellende is de wereld nog lang niet uit. Ik zie nog elke dag trieste voorbeelden van racisme, van uitbuiting en armoede, van profitariaat en onverschilligheid. Maar als we de komende 100 jaar even hard ons best doen om onrecht de wereld uit te helpen als de voorbije eeuw… Wie weet in wat voor -hopelijk betere- wereld we dan binnen 106 jaar leven?

annnixoncooper