Voor mijn ouders, zussen, schoonbroer en neefje, voor de goede vriendinnen en mijn onmisbare Held, en ja, zelfs de collega’s die ik toch wel mis tijdens deze feestdagen:





Voor mijn ouders, zussen, schoonbroer en neefje, voor de goede vriendinnen en mijn onmisbare Held, en ja, zelfs de collega’s die ik toch wel mis tijdens deze feestdagen:





Geen dag te vroeg kwam ze, die vakantie. Voor mij liggen vier dagen verplichte onthaastingskuur. Nu ja, op dit moment, dinsdagavond, dus nog drie.
Dat het verdorie moeilijk is. Ik verplicht mijn lijf om uit te slapen, maar mijn hoofd wordt klokvast klaarwakker om 9 uur ‘s ochtends. Ik dwing mijn lichaam tot rust in de hangmat in het park-achter-de-hoek en het geniet, het geniet! Maar mijn geest blijft dwangmatig plannen en to-dolijstjes maken. Ik moet nog dit en ik moet nog dat en ik zou daar nog moeten kunnen passeren morgen en die taak is al maandenlang blijven liggen en die vriendin heb ik al zo lang niet meer gezien en…
Ik weet dat het weer een paar dagen gaat duren vooraleer mijn hoofd ook met vakantie is. De kunst is zo snel mogelijk te stoppen met alles efficiënt te willen plannen. Om mijn kopje leeg te maken en te verhinderen dat er meteen nieuwe dingen in worden gestopt. Agenda hardnekkig leeg houden, ondanks honderd-en-één leuke ideeën en voorstellen van vrienden en familie.
Pas dan dringt het echte vakantiegevoel helemaal door. Dus sorry, dear friends en family en zelfs Held, maar deze week is voor mij. Lekker voor mij alleen. He-le-maal voor Lieve. Want een workaholic als ik heeft soms een persoonlijke afkickkuur nodig. En die bestaat deze week uit veel nietsdoen, veel lezen, veel zonnen in het park en veel shopppen.
Wie zin heeft om mij bij deze bezigheden te vergezellen, mag mij daarentegen altijd onverwacht contacteren. Altijd welkom, als ik het maar niet in mijn agenda moet zetten.
Ik ging alleen maar een nieuwe donsdekenovertrek kopen vandaag, meer niet. En ah ja, naast die winkel was een spotgoedkope schoenenwinkel, dus ook daar moest ik natuurlijk even binnenspringen. Een paar fantastische schoenen, niet te geloven! Ik zet mij op het schoenpasstoeltje, ik pas. Ik zet een stapje dichter bij de spiegel om die prachtexemplaren te bekijken. Ik kijk om. En ik zie mijn handtas niet meer staan.
Twee blikken rondom volstaan om te zien dat dat niet de fout is van mijn eigen slordigheid. Ik spurt de winkel uit (op de onbetaalde schoenen). Blijf op straat staan, luid vloekend en roepend. Wie de dief ook was, hij of zij is meteen in de winkelende massa verdwenen. Weg portefeuille met amper 20 euro. Weg gsm, met die allereerste foto van Held en mij. Weg treinabonnement en identiteitskaart. Weg iPod. Weg is mijn bankkaart en weg is de zijne.
Na twee uren met hysterische huilbuien, apathisch winkelpersoneel en onverschillige Antwerpse politieagenten kom ik weer tot bedaren. Niet zo erg, uiteindelijk. Zus, die vlakbij woont, heeft een reservesleutel van mijn thuis. Zus, de schat, schiet me wat geld voor. De buren laten me Card Stop bellen. Er wacht me een boel administratieve rompslomp, maar er zijn erger dingen in ‘t leven.
Het enige wat ze mij niet terug kunnen geven, is het vertrouwen in andere mensen. ‘t Zat niet in mijn handtas, maar ze hebben het meteen mee gepikt. U bent gewaarschuwd, onbekende man of vrouw in de straat. Ik vertrouw u niet meer, nooit en voor geen haar.
Op dit moment is er maar één ding dat mij die nare onbekende dief kan doen vergeten: een grote pot Ben & Jerry’s. New York Super Fudge Chunk. Met véél chocolade. Geen betere therapie denkbaar.
Mensen maken ons gelukkig. Een professor heeft het bestudeerd en er een boek over geschreven. En een groot wetenschappelijk onderzoek over gevoerd. Maar, betweterig als ik ben: ik denk dat ik het zelf ook al wist.
Ik weet het wanneer ik in het station op mijn lief wacht, met een hart dat uit mijn lijf bonst alsof het nog altijd ons allereerste afspraakje is. Ik weet het wanneer mijn zussen op bezoek komen en we na een uurtje ten onder gaan aan de slappe lach om een absurde mop. Wanneer ik eindelijk aan de telefoon die vriendin te pakken krijg die ik door omstandigheden al een paar weken niet meer gesproken heb. Wanneer mijn moemoe een kaartje stuurt. Wanneer mama ongevraagd lekkere soep komt brengen of papa spontaan een omweg langs de apotheek maakt als ik ziek in bed lig.
Véél mensen maken nóg gelukkiger, zegt de professor. En weer heeft hij gelijk, vind ik. Toen ik in nog niet zo lang vervlogen tijden samen met drieduizend andere leden van mijn jeugdbeweging op een plein liedjes zong en kreten scandeerde, deed me dat wel iets. Een wauw-gevoel, een gloed van euforie, noem het “samenhorigheid” zo je wil. En ook wanneer we met onze zevenenveertigkoppige straatfanfare de boel op stelten zetten, maakt me dat gelukkig. Omdat ik mooie mensen om me heen zie. Ze lachen, ze stralen, ze hebben schik in samenzijn. Ann Christi wist het, Raymond Van Het Groenewoud weet het en de Bond Zonder Naam ongetwijfeld ook. Dat heet dan gelukkig zijn.
Mensen maken gelukkig. Ik heb er geen cijfertjes of onderzoeksmethoden voor, alleen een soort warm buikgevoel. Maar net dat gevoel tovert een gigantisch grote glimlach op mijn gezicht.