Stukje ongeduld

24 september, 2009

Ik kroop gisteravond met het middernachtelijke nieuws in bed. Nog 12 uur.

De wekker, vanmorgen, om halfzeven. Nog 5 uur en half.

De trein kruipt. Ik sukkel van de trein op het perron en mijn blikt trekt zichzelf naar de stationsklok. Nog 3 uur en half.

Koffiepauze nu. Twee melk, één suiker. Nog anderhalf uur.

Nee, ongeduldig ben ik niet. Maar ‘t wordt nu toch wel tijd! :-)


Alsof het nog maar pas begon

7 september, 2009

Ik mis de wind die om mijn oren slaat en de zon die ongenadig mijn gezicht inkleurt. Met rood, jammer genoeg. Ik mis de optredentjes op elke straathoek, opgefleurd met exotische kraampjes voor de hongerigen, dorstigen en shopaholics. Ik mis de vrienden en familie die altijd tijd hebben en altijd thuis zijn, op eender welk moment paraat voor een koffietas of terras of allebei. Ik mis het buitenleven en de gesprekken met nieuwe vrienden, zittend aan een kampvuur en onder een sterrendeken. Weer een warme en overvloedige zomer is plots voorbij. Alsof het nog maar pas begon. Zo snel, zo intens.

Ik mis de collega’s met hun enthousiasme, intelligente discussies en sublieme humor. Ik mis de boeiende interviews en leerrijke gesprekken, en zelfs het harde labeur van het schrijven. De koffie uit de automaat op de gang (hoewel ik die na enkele dagen alweer beu ga zijn, weet ik uit ondervinding). Ik mis de voldoening en de zinvolheid van het werken, in vergelijking met de luilekkere loomheid en ledigheid der vakantie. Weer een nieuw jaar vol uitdagingen wacht op mij op het werk. Ik begin eraan met volle goesting, alsof ik nog maar pas aan de slag ben.

Ik mis die twee sterke armen die mij zo goed weten vast te pakken. De gesprekken zónder telefoon, zonder woorden; de blikken die alles zeggen. Ik mis de geruststelling van zijn aanwezigheid, de wonderbaarlijke kalmte die zich van mij meester maakt wanneer hij in de buurt is. Ik mis die lieve lach die mij doet glunderen en gniffelen van plezier. Weer een nieuwe vastenmaand stelt mijn geduld en uithoudingsvermogen op de proef.

Maar de mooie momenten zijn niet met de zomer verdwenen. Want Held na een hele maand weer terugzien, dat is alsof het allemaal nog maar pas begon, met vlinders à volonté.


Rehab voor workaholics

30 juni, 2009

Geen dag te vroeg kwam ze, die vakantie. Voor mij liggen vier dagen verplichte onthaastingskuur. Nu ja, op dit moment, dinsdagavond, dus nog drie.

Dat het verdorie moeilijk is. Ik verplicht mijn lijf om uit te slapen, maar mijn hoofd wordt klokvast klaarwakker om 9 uur ’s ochtends. Ik dwing mijn lichaam tot rust in de hangmat in het park-achter-de-hoek en het geniet, het geniet! Maar mijn geest blijft dwangmatig plannen en to-dolijstjes maken. Ik moet nog dit en ik moet nog dat en ik zou daar nog moeten kunnen passeren morgen en die taak is al maandenlang blijven liggen en die vriendin heb ik al zo lang niet meer gezien en…

Ik weet dat het weer een paar dagen gaat duren vooraleer mijn hoofd ook met vakantie is. De kunst is zo snel mogelijk te stoppen met alles efficiënt te willen plannen. Om mijn kopje leeg te maken en te verhinderen dat er meteen nieuwe dingen in worden gestopt. Agenda hardnekkig leeg houden, ondanks honderd-en-één leuke ideeën en voorstellen van vrienden en familie.

Pas dan dringt het echte vakantiegevoel helemaal door. Dus sorry, dear friends en family en zelfs Held, maar deze week is voor mij. Lekker voor mij alleen. He-le-maal voor Lieve. Want een workaholic als ik heeft soms een persoonlijke afkickkuur nodig. En die bestaat deze week uit veel nietsdoen, veel lezen, veel zonnen in het park en veel shopppen.

Wie zin heeft om mij bij deze bezigheden te vergezellen, mag mij daarentegen altijd onverwacht contacteren. Altijd welkom, als ik het maar niet in mijn agenda moet zetten.


Energieverslindend

10 maart, 2009

Als ik kwaad ben, heb je verschillende mogelijkheden. Ik kan licht geïrriteerd zijn. Soms ben ik op mijn tenen getrapt. Koleirig, dat kan ook. Of heel erg verontwaardigd.

Maar echt razend kwaad, ronduit woest, zo’n bui waarin je met verwijten gaat slingeren en zin hebt om -bij wijze van spreken- iemand in elkaar te timmeren? Dat overkomt me zelden. Maar ik voel het: nu is het bijna zover. De spanning stapelt zich op en heeft bijna haar kookpunt bereikt.

Held woont net in een nieuwe studio. Vier bij vijf meter, pas gerenoveerd, goed geïsoleerd, hartje Brussel. Hij verwarmt de kamer met een kleine gaskachel. En zijn nieuwe energieleverancier wil hem een verbruik aanrekenen waarmee ik zonder moeite een villa zou kunnen verwarmen.

Daar kan een mens “gewoon kwaad” van worden. De echte, pure woede kwam er pas toen we probeerden om die fout te laten rechtzetten. Vier mails. Twee faxen. Zesentwintig telefoontjes, naar mijn energieleverancier en netbeheerder. Vier met zijn huisbaas. Eentje naar de informatiedienst van de federale overheid.

En om het helemaal te gek te maken: na al die tijd- en geldverspilling is zijn probleem nog altijd niet opgelost. We worden van veel kastjes naar nog meer muren gestuurd. Razend kwaad word ik daarvan!

Ik heb niets tegen de callcenter-medewerkers van mijn energiemaatschappij hoor. Fijne mensen, ik ken ze ondertussen bijna allemaal. Sofie, beleefd en professioneel. Nathalie, heel efficiënt en hulpvaardig. Jeroen, een starter die alleen maar procedures bovenhaalt.

‘t Is niet hun schuld, wel die van hun op winst beluste bazen. Wat ik nodig heb, is iemand die mij objectieve informatie geeft in de jungle van energiefacturen, contracten, voorschotten en afrekeningen. Waar blijft die beloofde federale ombudsman?

Ik zal volhouden tot het bittere einde. Ik zal blijven telefoneren, mailen, faxen, ik ga desnoods persoonlijk naar het hoofdkantoor van zijn leverancier. Maar wat moeten mijn kansarme buren dan, die geen uren naar het 078-nummer van de klantendienst kunnen bellen? Wat moet mijn oma, die niet zo goed is met paperassen, wanneer de energieleverancier met haar voeten speelt?


Mijn zelfontspanner

20 februari, 2009

Alsof mijn intuïtie foto’s maakt van die eerste momenten, zonder dat ik zelf op de ontspanner heb geduwd. Zou iedereen dat hebben? Zo’n oude doos vol momentopnames van eerste ontmoetingen, die later je leven ingrijpend veranderd blijken te hebben?

In mijn wonderlijke verzameldoos zitten ruwe diamanten. Het zijn herinneringen aan mensen en plekken die nadien zouden uitgroeien tot vriendschap en onderdak. Tot fijngeslepen en fonkelende edelstenen: Held, mijn beste vrienden, de plekken op aarde die ik “thuis” heb genoemd. 

De zus van
Het decor van één zo’n tableau vivant dans ma mémoire is een speelplaats op de middelbare school. De spijlen van de reling voor de lage, troebele ramen, het afdak, de grijze vierkante tegels: het beeld blijft na tien jaar nog even scherp. Tegen de reling staat een 14-jarig meisje wat onwennig rond te hangen. Nieuw op school, maar dat wist ik nog niet. Ik loop voorbij en ze roept naar me. “Hé, zus van Nele!” Klik, flits, foto. Ik ken dat meisje van ergens. Ze heeft een tomaatrode jas aan, die ze ook droeg toen we elkaar voor de eerste keer toevallig ontmoetten op een Chirozondag.

speelplaatspix

Bijna tien jaar, tientallen ijsjes in ’t Stad en ontelbare uren geklets verder zijn we nu. De tomaatrode jas werd ondertussen ingewisseld voor een modieuze oranje met pluizige groene sjaal, maar het meisje IN de jas is nog altijd mijn beste vriendin.

Het roze huis
Madrid, september 2005. Ik sta net op eigen Erasmusbenen, nog wat wankel en onwennig. Ik ga naarstig op zoek naar een studentenkamer. Het budget is beperkt, de kamers die ik bezoek aanvaardbaar maar niet ideaal. Ik weeg bij mezelf objectieve argumenten af, pro’s en contra’s, “te klein en verzorgd” versus “groot genoeg maar slecht gelegen”. Niet nodig, zo blijkt na vier dagen. Ik ga nog één kamer bekijken. In de Calle Pamplona. De huisbazin steekt het sleutel in het slot van een glazen deur met dikke tralies ervoor. Ik stap het halletje binnen. Ik heb nog niets gezien van de kamer, van het huis. Maar een tintelend gevoel vertelt mij: dit is het. Hier ga ik vijf maanden wonen. Dit zit goed. Klik, flits, foto.

callepamplonamadrid

En elke keer dat ik terugkeer naar mijn tweede thuisstad, Madrid, keer ik terug naar dat roze geschilderde huis in de Calle Pamplona. Waar we met 12 internationale studenten de gekste Halloween- en andere party’s organiseerden. Waar ik op Nieuwjaarsochtend warme Spaanse chocolade dronk vooraleer in bed te kruipen. Waar ik iedereen ziek maakte met kilo’s chocolade, aangevoerd uit België. Waar mijn kotgenoten en ik midden in een januarinacht  een kerstboom uit het raam van de tweede verdieping gooiden. 

Een Goeiemorgen
En dan Held. Het eerste beeld van hem staat op mijn netvlies gebrand. Ik stap de ruimte binnen waar hij aan het werk is. Laat mijn uitzonderlijk goede humeur van die dag zijn werk doen en groet hem met een stralende ‘Goedemorgen’. Hij reageert met een verbaasde blik en een groet terug aan die spontane onbekende. Klik, flits, foto. Het kortst mogelijke moment, banaal en onbetekenend, maar mijn geheugen heeft ervoor gekozen het te onthouden.

Behoorlijk mysterieus, die eerste momenten. Waarom belandt het ene moment wel in mijn doos met diamantjes, en het andere niet? Slechts één criterium lijkt van toepassing: het zijn de momenten waarop mensen zichzelf toegang verschaffen tot mijn persoonlijke fotoboek, waar ze één van de mooiste en meest prominenten plaatjes zullen worden. Maar hoe mijn geheugen op voorhand weet dat iemand zo belangrijk gaat worden, blijft me een behoorlijk raadsel.


Wolkjes

8 januari, 2009

Perron 11, Brussel-Noord. De laatste trein heeft vertraging. Bittere koude vreet aan mijn tenen, vingers, oren. Ik adem wolkjes. Maar toch denk ik er niet aan de vrieskou te verdrijven met de hete thee uit mijn thermos. Een enkele slok zou immers zijn laatste zoen van mijn lippen spoelen, zonder mededogen voor de melancholie.

Laat mij maar bevriezen. Dat luttele uurtje met Held, aan een simpel tafeltje in een ongezellige fastfoodtent, heeft me moeiteloos doen smelten vanbinnen. Mijn bloed klopt warm, ik leef en alles bougeert. In de koude sneeuwlaag op mijn rug heeft zijn warme hand een gloeiende afdruk achtergelaten.

Het vriest -10. Maar mijn hart is weer ontdooid. Zuiderse temperaturen heersen in mijn hoofd en daar kan geen koning Winter tegenop. 


Patatjes

9 december, 2008

Een Nieuwjaar zonder zoen
is als patatjes zonder zout.

Zoiets moest ik ooit in schoonschrift in een Nieuwjaarsbrief pennen. Het betekende toen niet alleen een nachtmerrie vol inkt, gekrabbel en overnieuw beginnen. Het was ook het exacte moment waarop ik besefte dat wij thuis patatjes zonder zout aten en dat dat niet normaal was. Volgens mijn Nieuwjaarsbrief.

Zoveel jaren later zijn mijn ogen toch ook opengegaan voor de symbolische waarden van dat zinnetje dat in mijn geheugen is blijven steken. De bescheiden levenservaring die ik al mocht opdoen, heeft me de betekenis van het woordje “zonder” geleerd. Op kot, zonder mama of papa. Studeren in Spanje, zonder beste vriendin om uren mee aan de telefoon of in de keuken thuis te hangen. Werkloos, zonder zekerheid of toekomstplan. Nu bijna een jaar met mijn lieve Held, waardoor het leven plots is opgedeeld in scherpe “momenten zonder” en “momenten met”.

De moeilijkste Zonder? Zonder hém. Zonder Held word ik werkelijk waanzinnig wan wiefde. Om de muren van op te kruipen, de wereld van bij elkaar te gillen, voorwerpen naar hoofden van toevallige passanten van te beginnen gooien of om zielig van weg te krimpen in de zetel onder een deken.

En dan die andere Zonder-kwelling. Ik heb een fulltime job heb als journalist. Ik krabbel al hersenspinsels neer in schriftjes, verloren worddocumentjes, agenda’s en bierkaartjes zolang ik me kan herinneren. En ik heb zelden gebrek aan stof om over te schrijven, zeker niet met een specialleke als mijn Held. Toch kruipt die ambetante Zonder ongevraagd mijn oren en vingers binnnen: de Zonder woorden. Iets dat ervoor zorgt dat ik geen woorden kan vinden die beschrijven hoe graag ik hem wel zie. Iets dat maakt dat ik de vorige zin plakkerig en melig vind, en tegelijkertijd flauw en nietszeggend. Iets dat me influistert dat geen enkel woord mooi genoeg is voor Held.

Zonder woorden, verslagen door de beperking van de taal. Ik leg me er maar bij neer. Zolang ik met Nieuwjaar maar een zoen krijg. Die patatjes, met of zonder zout, dat hoeft niet echt.


Kleuter

28 oktober, 2008

Ik krijg hem niet uit mijn hoofd. 

Nee, het gaat voor een keertje niet over mijn zo geliefde Held. Ik heb het over de kleuter die ik gisteravond zag. Het ventje kan nauwelijks drie jaar geweest zijn, ten hoogte vier. Zo’n klein zwartje, een kindje om op te vreten. 

Ik kon hem niets zeggen, geen aai over zijn bol geven. Hij wandelde langs me heen. Of liever, langs de camera heen. Want het was in het laatavondjournaal dat ik hem zag lopen. Tussen een heleboel andere zwarte mensen, Congolezen. Op de vlucht, alweer, voor het geweld van rebellen en soldaten en andere gestoorde, ontspoorde mensen in Oost-Congo. 

Nauwelijks drie, vier jaar. Hij torst een koffer waar hij zelf net bovenuit komt. Of is het een jerrycan met water voor onderweg? Ik krijg hem niet uit mijn hoofd. Door zijn onverschillige blik. Die jonge oogjes zijn, nu al, gewend aan het geweld en het gevlucht om hem heen. Geen tranen, geen hand van mama om aan te hangen, maar zelfverzekerde kleine stapjes. 

Wat staat hem nog te wachten? Loopt hij binnen tien jaar zelf ook met machete en machinegeweer te zwaaien?

Meer zien?

Op deze pagina van deRedactie.be vind je het hele filmpje.


Ochtendlijke survivaltrip

17 oktober, 2008

De tijden van ochtendlijk donker zijn weer begonnen. En het gaat er na volgend weekend niet veel beter op worden. Mijn ogen plakken nog dicht als sputterend protest tegen dat onkatholieke uur waarop ik uit bed strompel. En de woonkamer is een waar hindernissenparcours, met de buitendeur als eindbestemming. 

Het parcours begint aan de gordijnen tussen keuken en woonkamer. Als extra moeilijkheid on the road is er de ballast van iPod, GSM, zakdoekjes en twee rozijnenboterhammen die in mijn handtas of in mijn mond moeten belanden. En die bevindt zich óók aan de andere kant van de woonkamer. 

De lichtknop van de woonkamer staat natuurlijk aan de foute kant. Dus moet ik mijn ochtendlijke parcours, zo’n vier meter lang schat ik, afleggen in het duisterste duister denkbaar. Op sloffen. 

Met mijn armen vol prul-dat-absoluut-mee-moet-naar-het-werk worstel ik eerst met de gordijnen. Tot mijn ellebogen het gat in het midden vinden en ik mij daar door kan wurmen. Dan: voetje voor voetje voortschuifelen. Eerst oppassen voor mijn mobiele chauffageke rechts. Geen sinecure, aangezien ik dat om één of andere wispelturige reden elke avond wel verzet. Tegelijkertijd proberen om het lage ladenkastje links te ontwijken. En de hoek van mijn zetel. Want die laatste heeft mij al verschillende keren een blauwe teen bezorgd en ik kan u zeggen dat dat geen deugd doet. 

Wanneer ik smooth en safe het chauffageke, het kastje en de zetel voorbij ben, kan ik weer opgelucht ademhalen. Denk ik. Het einde is in zicht, ik ben al een meter of drie gevorderd. De schuifdeur bijna binnen handbereik. Ik breek mijn brein al over de vraag hoe ik die met alle rommel in mijn handen open ga krijgen. Maar ik vergeet de mogelijkheid dat zijn pantoffels nog rondslingeren op het eind van mijn parcours. Nu ja, zijn pantoffels. Mijn pantoffels. Eerder slefkes, eigenlijk. Oranje. Die hij altijd aandoet wanneer hij bij mij logeert. Zoals vorig weekend. 

Ik vergeet de pantoffels dus. En ik struikel er over. Boenk, bijna met mijn neus tegen de schuifdeur. Bijna onderuit, met de zetel als strategisch geplaatste zachte redding. Maar: bijna, niet helemaal! Ik maak wel een vreemd huppelpasje wanneer ik over de pantoffels struikel (gelukkig is het donker en kan ik mezelf niet eens zien klungelen), maar ik val niet. Maar in het duister schittert slechts één ding: mijn stralend brede glimlach. Omdat ik over zíjn pantoffels elke dag wel wil struikelen.


Ons geluk

13 oktober, 2008

Mensen maken ons gelukkig. Een professor heeft het bestudeerd en er een boek over geschreven. En een groot wetenschappelijk onderzoek over gevoerd. Maar, betweterig als ik ben: ik denk dat ik het zelf ook al wist. 

Ik weet het wanneer ik in het station op mijn lief wacht, met een hart dat uit mijn lijf bonst alsof het nog altijd ons allereerste afspraakje is. Ik weet het wanneer mijn zussen op bezoek komen en we na een uurtje ten onder gaan aan de slappe lach om een absurde mop. Wanneer ik eindelijk aan de telefoon die vriendin te pakken krijg die ik door omstandigheden al een paar weken niet meer gesproken heb. Wanneer mijn moemoe een kaartje stuurt. Wanneer mama ongevraagd lekkere soep komt brengen of papa spontaan een omweg langs de apotheek maakt als ik ziek in bed lig. 

Véél mensen maken nóg gelukkiger, zegt de professor. En weer heeft hij gelijk, vind ik. Toen ik in nog niet zo lang vervlogen tijden samen met drieduizend andere leden van mijn jeugdbeweging op een plein liedjes zong en kreten scandeerde, deed me dat wel iets. Een wauw-gevoel, een gloed van euforie, noem het “samenhorigheid” zo je wil. En ook wanneer we met onze zevenenveertigkoppige straatfanfare de boel op stelten zetten, maakt me dat gelukkig. Omdat ik mooie mensen om me heen zie. Ze lachen, ze stralen, ze hebben schik in samenzijn. Ann Christi wist het, Raymond Van Het Groenewoud weet het en de Bond Zonder Naam ongetwijfeld ook. Dat heet dan gelukkig zijn.

Mensen maken gelukkig. Ik heb er geen cijfertjes of onderzoeksmethoden voor, alleen een soort warm buikgevoel. Maar net dat gevoel tovert een gigantisch grote glimlach op mijn gezicht.