Een man op de bus. “Koud vandaag, hé?” Hij steekt zijn hand even op bij het afstappen.
Een broer of zus belt, zomaar. “Hoe is ’t met u?”
Een spontane, troostende hand op de schouder van iemand die zijn verdriet niet meer de baas kan. “Het komt wel weer goed.”
Een rode Peugeot stopt op een drukke steenweg, om een bende fluovestjes met kinderen erin te laten oversteken. “Dank u, mevrouw!” Zwaaiende handjes.
Een treinbegeleider met een warme stem. “Het personeel op deze trein wenst u nog een zeer aangename dag verder.” Oprecht, dat hoor ik.
Een zondags bezoek aan moeder of grootmoeder. Je favoriete kostje van vroeger op de tafel van vroeger. “Niet te veel eten, er is subiet nog taart en koffie.”
De madam van de kruidenier: “Da zal ’t zijn, m’n engeltje?”
Een kind van 8 vliegt op me af en begroet me met een bijna wurgende knuffel. We zijn niet eens familie.
Een compliment van een volslagen onbekende. “Schone laarzen, mevrouw. Waar hebt u die gevonden?”
Iemand die in je ogen kijkt. “Ik hou van u.”
Of “Je t’ aime”, “I love you”, “Seni seviyorum” of “Wo aì ni”.
Een plotse herinnering aan iemand die je graag hebt gezien. “Weet je nog, toen…?”
Een tienermeisje op straat kijkt. Ze aarzelt, maar lacht toch terug. Lief.
Het wordt kouder buiten. Maar mogelijkheden genoeg om de wereld zelf wat op te warmen. Zonder chauffage.
Maar ik ben nu eenmaal de meest onverbeterlijke optimist. Tot aan de grens van het irritante toe, vrees ik. Maar ik zie nu eenmaal mooie dingen om me heen, en ik blijf er graag bij stilstaan om van te genieten. Om te laten doordringen, zodat ik weet dat in (bijna) elke mens wel een stukje schoonheid schuilt.
Vanmiddag interviewde ik een man, Rudy. Rudy werkt als rekkenvuller in een supermarkt. En Rudy is daar enorm trots op. Tien jaar geleden zat Rudy namelijk in een rolstoel na een zwaar verkeersongeval. Hij kon niet meer lopen, niet zelfstandig eten, brabbelde er maar wat op los. Kan tot op vandaag moeilijk dingen onthouden. En nu werkt Rudy als rekkenvuller in een supermarkt. Rudy heeft reden om daar trots op te zijn. Want zonder zijn immense wilskracht en levenslust, zonder de helpende hand van zijn collega’s ook, was hij nooit aan die rekken geraakt. Dan zat hij nu te verkommeren in een rolstoel.
Deze namiddag ontmoette ik Anna, een vrouw van eind in de vijftig, schat ik. Grijzend haar, maar blakend van energie en levenslust. Misschien kwam het wel doordat ze probeerde de wereld een beetje beter te maken, op haar manier. Ze was in contact gekomen met een jongeman zonder papieren en had ontdekt dat hij al maanden in het krot van een huisjesmelker woonde. Zonder verwarming. Zonder warm water om zich te wassen. Zonder elektriciteit om het donker te verjagen. Anna greep haar gsm, deed een paar telefoontjes, stuurde een aantal mails naar kennissen. Volgende week heeft die jongeman hoogstwaarschijnlijk een nieuwe thuis, droog, warm en veilig. En Anna? Die heeft er zelf niets aan gehad. Enkel de wetenschap dat ze iemand heel erg gelukkig heeft kunnen maken.
Daarom, met het risico dat ik u doe denken aan uw prekende pastoor in de zondagmis of aan de koning in zijn kerstboodschap, zeg ik: JA, er bestaan nog goeie mensen. JA, de wereld is mooi. En NEE, onze maatschappij is niet naar de vaantjes. Want je kan ze zelf mee maken. Zoals Rudy. Zoals Anna. Was iedereen maar een beetje meer onbetwist optimist.
De tijden van ochtendlijk donker zijn weer begonnen. En het gaat er na volgend weekend niet veel beter op worden. Mijn ogen plakken nog dicht als sputterend protest tegen dat onkatholieke uur waarop ik uit bed strompel. En de woonkamer is een waar hindernissenparcours, met de buitendeur als eindbestemming.
Het parcours begint aan de gordijnen tussen keuken en woonkamer. Als extra moeilijkheid on the road is er de ballast van iPod, GSM, zakdoekjes en twee rozijnenboterhammen die in mijn handtas of in mijn mond moeten belanden. En die bevindt zich óók aan de andere kant van de woonkamer.
De lichtknop van de woonkamer staat natuurlijk aan de foute kant. Dus moet ik mijn ochtendlijke parcours, zo’n vier meter lang schat ik, afleggen in het duisterste duister denkbaar. Op sloffen.
Met mijn armen vol prul-dat-absoluut-mee-moet-naar-het-werk worstel ik eerst met de gordijnen. Tot mijn ellebogen het gat in het midden vinden en ik mij daar door kan wurmen. Dan: voetje voor voetje voortschuifelen. Eerst oppassen voor mijn mobiele chauffageke rechts. Geen sinecure, aangezien ik dat om één of andere wispelturige reden elke avond wel verzet. Tegelijkertijd proberen om het lage ladenkastje links te ontwijken. En de hoek van mijn zetel. Want die laatste heeft mij al verschillende keren een blauwe teen bezorgd en ik kan u zeggen dat dat geen deugd doet.
Wanneer ik smooth en safe het chauffageke, het kastje en de zetel voorbij ben, kan ik weer opgelucht ademhalen. Denk ik. Het einde is in zicht, ik ben al een meter of drie gevorderd. De schuifdeur bijna binnen handbereik. Ik breek mijn brein al over de vraag hoe ik die met alle rommel in mijn handen open ga krijgen. Maar ik vergeet de mogelijkheid dat zijn pantoffels nog rondslingeren op het eind van mijn parcours. Nu ja, zijn pantoffels. Mijn pantoffels. Eerder slefkes, eigenlijk. Oranje. Die hij altijd aandoet wanneer hij bij mij logeert. Zoals vorig weekend.
Ik vergeet de pantoffels dus. En ik struikel er over. Boenk, bijna met mijn neus tegen de schuifdeur. Bijna onderuit, met de zetel als strategisch geplaatste zachte redding. Maar: bijna, niet helemaal! Ik maak wel een vreemd huppelpasje wanneer ik over de pantoffels struikel (gelukkig is het donker en kan ik mezelf niet eens zien klungelen), maar ik val niet. Maar in het duister schittert slechts één ding: mijn stralend brede glimlach. Omdat ik over zíjn pantoffels elke dag wel wil struikelen.
Het is alsof de dag vandaag niet aan zichzelf wil beginnen. Wolkenkrabbers verstoppen zich achter dichte mist en de zon achter donkere donderwolken. En mijn slapend lijf weet het nog vóór ik de gordijnen heb opengetrokken, want het wil zich niet uit bed slepen.
Maar een erg onverwachte ontmoeting brengt het goeie humeur in mij weer naar boven. Want Held kan zelfs een stralende glimlach op m’n gezicht toveren wanneer de zon het laat afweten.
Op het gevaar af alleen nog maar aandacht te besteden aan vrij militante woorden (zie Woest), vind ik toch dat dit woord een plaats verdient in mijn eregalerij van mooie woorden:
Weer zo’n vergeten prachtexemplaar. Prachtigmooi hoe die rebellerende R’en op zich al een woelige opstand veroorzaken. En ze zijn zeldzaam, die Oproerkraaiers. Want ondanks alle communautaire woede, koopkrachtdalingen en kilometerslange files richting kust -toch allemaal een bron van diepgewortelde frustratie-, zijn de Oproerkraaiers in ons land een zeldzame en misschien zelfs uitgestorven soort.
Een ouder nummer van ons Weekblad leerde me dat ze er in Guinée nog wel hebben. Met bosjes zelfs. En dat ze vervolgd worden. Omdat ze kraaien. “De president verbiedt de bevolking ‘s avonds en ‘s nachts hun huis te verlaten. Hij geeft het leger ook de toelating om de huizen binnen te gaan en oproerkraaiers mee te nemen. Dat maakt de mensen bijzonder bang, want wat is een oproerkraaier in de ogen van een militair?”
Jacht maken op de zeldzame soort der Oproerkraaiers. Omdat ze hun mond opentrekken en hun uitzonderlijk mooie geluid laten horen: een roep om rechtvaardigheid, een roep om verzet.
Meneer de president/dictator, u moest zich schamen.
“De weersvoorspelling voor komende vrijdag in China is niet opperbest. Op de openingsdag van de Olympische Spelen worden in Peking storm en hevige regenbuien verwacht. Voorzichtigheidshalve hoopt men op opklaringen tijdens de openingsceremonie ‘s avonds.“
Als we nu met z’n allen gaan hopen op goed weer, dan is er dus geen probleem vrijdag?
Het gaat tergend traag, blijft zoveel op de vlakte dat zelfs ons platte land er nog iets van kan leren en is doorgaans doorspekt van rollende ERRRRen en charmante OEWEEEE’s. Het is… de traditionele toespraak van onze koning! Ben je ook één van die mensen die spontaan wegzapt bij het zien van dat staaltje trage tv? Wil jij ook die Award voor Minst Aantrekkelijke Tv-Programma Sinds Het Begin Der Tijden naar de kop van de bedenker ervan gooien?
Lieven Scheire, die zich mag rekenen tot het selecte clubje van mensen die ik écht oprecht grappig vind (wat een eer!), heeft een manier gevonden om de trage en vage koninklijke wijsheid wat flitsender te maken. Kijk en vergelijk!
Albert II anno 2007:
Lieven I anno 2008:
En zo herleidt Koning Lieven de 13 minuten durende portie wijsheid van zijn collega Albert tot een luttele 3:30 oftewel 210 seconden. Wie denkt Koning Lieven van zijn troon te kunnen stoten, neme de handschoen op!
Wauw. Wat een mooi woord.
Een zeldzaam woord ook. Want hoe vaak bevindt een mens zich in een staat van woestheid?
Woest staat voor wild en woedend tegelijkertijd. Ben ik zelf ooit echt al Woest geweest? Wat zou je zo kwaad kunnen maken dat je er wild en Woest van wordt? Google, my friend, tell me!
En zo ontdek ik dat een Britse piloot vorige woensdag nog Woest was op het Belgische gerecht. Omdat hij acht maanden in een Belgische cel werd opgesloten en beschuldigd werd zonder enig bewijs. Ja, da’s een goeie reden om wat Woester van te worden.
Aha, en de vakbonden waren ook Woest. Op Ford Genk, omdat de fabriek het verlies door een staking wil recupereren aan de hand van besparingen. Kwaad zijn is de meest essentiële bestaansreden van de vakbonden, évidemment. En wanneer ze echt Woest worden, levert dat meestal mooie beelden op: schreeuwende gezichten, brandende vuren en rokende autobanden, een snuifje opstand en revolutie.
En een medeblogger was 3 jaar geleden ook Woest. Omdat zijn auto kapot was (yep, it’s a guy!). En hij lost zijn Woestheid op met een louterende sessie préparemaken.
Er blijken warempel veel redenen te zijn om Woest te worden! Of is de wereld minder kwaadaardig dan hij lijkt en overdrijven mijn soortgenoten-journalisten gewoon graag in hun krantenkoppen? Ze mogen dat meer doen, want ik word behoorlijk vrolijk van dat wonderlijk woeste woord!
Zo ondertekent hij zijn sms’je. Nee, niet mijn Held, wel de paus. Benedictus XVI. Het sms’je is niet voor mij bestemd, wel voor de duizenden gelovige jongeren die deze week deelnemen aan de Wereldjongerendagen in Australië. ”Young friend, God and his people expect much from u because u have within you the Fathers supreme gift: the Spirit of Jesus – BXVI.”
B16? Ambieert de paus een carrière als coole rapper? Gaat ‘ie binnenkort het habijt vervangen door veel te wijde broek, zonnebril en bling bling-kettingen?