Verleden en vandaag

Yoghurtroom. Tomatensoep met bollekes en ballekes. Een baddeke in de gootsteen. Sprite-flesjes in de kelder. Schrik van de trap, want vava was daar gevallen. De hometrainer in het kot. De wc met de plank met het gat.

Smurfentaart. Naar ’t winkeltje gaan verderop op de steenweg. Kruiswoordraadsels. Buiten op de bank zitten. Die gelukkige glimlach. Die blije, verwonderde ogen. De stevige knuffels, de warmte. Kriekskes mee ballekes.

Breien (of liever keisen stekken). Een cadeautje, een kaartje; elk jaar, zonder ook maar een keer over te slaan. Dat vaste, herkenbare handschrift op de enveloppe in mijn brievenbus.

De stille tranen wanneer ze vava of nonkel Jos miste. De blonde krullen, die altijd goed liggen. De blinkende oogjes wanneer ze over vava vertelt.

De wollen of gehaakte spreien op de bedden. De manier waarop ze de naam van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen uitsprak. Hulle Nele. Ozze Jan. Ozze va.

Het geluid van de passerende auto’s over de ribbels van de steenweg, wanneer ik er bleef slapen. Ta-dak, ta-dak, ta-dak. Haar lach. De stoof; De living vol foto’s van iedereen die haar dierbaar was. Haar bescheidenheid, en haar manier van relatieveren. Dat het toch allemaal niet zo erg, of niet zo belangrijk was.

De wandelstok, later. De voordeur, altijd open. En hoe de grendel dan in het slot viel, met een zware klak. De tochthond.

Moemoe, ik weet nog altijd niet goed of ik de verleden of tegenwoordige tijd moet gebruiken. Of ik over jou of tegen jou moet spreken. Je leeft, in vele harten.

Vroeger was het

2 herstructureringen, op 3 jaar tijd. 8 mensen die ik persoonlijk ken, hebben een burn-out. Er zijn vandaag 60 miljoen mensen op de vlucht in de wereld, het grootste aantal sinds de Tweede Wereldoorlog, en mijn oude continent panikeert wanneer 600.000 van hen asiel aanvragen in de Unie. Het heeft 8 jaar geduurd, en nu heeft de crisis me eindelijk toch te pakken. Doorgedrongen tot in de diepste krochten van mijn ziel, de duistere hoeken waar onzekerheid, angst en wanhoop de plak zwaaien.

Dit is mijn wereld, onze wereld, vandaag. En daarin stapt een land dat zo dicht bij huis is, uit de Europese Unie. What happened?

Ik wil terug. Naar de tijd waarin we ons Chinese klasgenootje gewoon fonetisch Soewan noemden (sorry, Sue Yang) en het niet in ons opkwam om scheldwoorden te verzinnen omdat ze een beetje anders was. Naar de tijd dat woorden als stress en burn-out eenvoudigweg nog niet in de dikke Van Dale stonden. Naar de tijd dat vrede een vanzelfsprekende illusie was (want Palestina en ex-Joegoslavië en Rwanda, dat was ver weg). Naar de tijd dat vakbonden vooral konden onderhandelen over extra voordelen voor werknemers, en dat ze niet op straat moesten komen omdat onze welvaart en ons welzijn in de uitverkoop gezet worden. Naar de tijd dat Europa een machtig, aantrekkelijk toekomstproject leek, in plaats van de sociale sloophamer dat het vandaag is. Naar de tijd dat je kon werken in een bedrijf dat niet herstructureerde, reorganiseerde, afdankte, uitperste. Ik wil terug.

Ik las onlangs over een wetenschappelijke studie die beweert dat je politieke mening met de jaren opschuift richting conservatisme. Ik ben net 30. Is dit het moment waarop ik overga naar de club van vastgeroesten die vinden dat vroeger beter was? Ik overweeg die mogelijkheid, maar voer ze af na een telefoongesprek met mijn vader. Een actieve zestiger, die vandaag de wereld net zo onder z’n voeten voelt trillen als ik.

En ik vrees dat ik maar 1 vaststelling kan doen: ja, vroeger was het beter. Maar daar tegenover kan ik ook maar één coping mechanism plaatsen: ja, ik zal er mee alles aan doen om ervoor te zorgen dat morgen ook beter wordt dan vandaag. En dat is geen wereldvreemde illusie. Ik ben te oud voor naïef, en te jong voor conservatief.

Man In Pak.

“Niet goed bezig, hé.”

Mijn fiets is kapot, en dan moet ik met een stadsvelooke naar het station crossen. In het station is de lift kapot, en dan moet ik de trappen af donderen om mijn trein te halen. ’t Is maandag, en ietwat hijgend plof ik eindelijk neer op een treinzetel.

Ik glimlach naar de man tegenover mij, netjes in pak, papieren krant voor zijn neus opengevouwen. Ik lach, want wie weet lacht hij wel terug, en dan wordt mijn maandagochtend meteen wat minder desastreus.

Man In Pak lacht niet meteen terug, maar vraagt dan toch: “U hebt zich moeten haasten, precies?” Sympathiek. Pendelaars die niet gehypnotiseerd naar hun smartphone zitten staren worden zeldzaam, dus ik ga graag in op deze uitnodiging tot treingesprekje over koetjes en kalfjes. Van het een komt het ander: binnen de paar minuten weet de man dat er glasscherven op het fietspad lagen, dat mijn fiets platteband heeft en dat ’s ochtends een stadsfietsje te pakken krijgen een kwestie is van een goede portie geluk.

Oh, en dat het meer regel dan uitzondering is dat ik me naar de trein haast, hoor. Niets om u zorgen over te maken.

De man reageert spontaan. “Niet goed bezig, hé.”

Ik zoek instinctief excuses voor mijn chaotische ochtend – en bij uitbreiding chaotische leven. Dat dat best wel goed is voor de conditie, zo’n dagelijkse ochtendspurt, opper ik met een vleugje humor. Oef, Man In Pak lacht: “Aan de conditie moet je ’s avonds werken.”

’t Is allemaal goedbedoeld, maar toch voel ik een vleugje zelfingenomenheid. Man In Pak heeft het duidelijk allemaal voor elkaar. Zijn leven is goed en strak geregeld, dat spreekt voor zich. Krant elke ochtend in de brievenbus, op tijd in de trein voor een zitplaats, en bij uitbreiding werkzekerheid, een gezin en wie weet zelfs een hond en een ritje met de wielertoeristen elke zondag. En van mij is het binnen de paar minuten zonneklaar dat ik iemand ben die niet goed bezig is.

De koetjes en kalfjes springen nog tot in Antwerpen Berchem beleefd tussen ons in, heen en weer. De man is vriendelijk, maar toch blijft dat ene zinnetje knagen.

Ik leun tegen de wand van de trein, sluit mijn ogen en geniet van de ochtendzon op mijn smoel. Misschien doe ik extra mijn best om te laten zien hoe hard ik geniet. Zo ziet Man In Pak dat ook chaoten het best naar hun zin kunnen hebben in het leven.

Tegen Mechelen heb ik spijt van mijn excuses. Waarom heb ik me verantwoord voor een treinspurtje? Ik lééf tenminste, meneer Man In Pak, en wel voor de volle honderd procent. Ja, ik moet soms koersen naar het station, en dan voel ik het bloed door mijn lijf stromen. Ja, ik zit af en toe met een ontbijtkoek op de trein, omdat ik weer eens vergeten ben om voor ontbijt te zorgen thuis. En smaken dat dat kan, zo’n koek.

Ja, mijn stapel met vuile was neemt soms Mount Everest-proporties aan. Nee, ik heb soms geen flauw idee wat het nieuws van de dag was. Nee, oefenen voor muziekles én sporten én koken én afwassen én boodschappen doen én – oh ja – werken lukt soms niet allemaal op één dag in mijn chaotische leven. Probeert u het maar eens, als single jonge madam die elke dag drie uur onderweg is.

Ik heb uw afkeuring niet nodig. Voor een volgend sympathiek ochtendpraatje, daarentegen, spreek ik u graag nog eens aan. Over hoe goed ik wel bezig ben, bijvoorbeeld.

Soundtrack bij de Turnhoutsebaan

Ik zie een goedkoop tapijt liggen in een etalage op de Turnhoutsebaan, en ik denk even dat de kathedraal van ons Lief Vrouwke erop staat afgebeeld. Ik bezie het nog eens goed, en het blijkt de Eiffeltoren te zijn. De wind mag nog zo hard rond mijn oren razen; ik glimlach breed. Omdat deze stad mijn alles is. De doos die mijn herinneringen heel precies bewaart in haar trottoirs, haar straathoeken, de gevels waarachter vrienden en fouten uit het verleden zich verschuilen.

In mijn straat heeft de stormwind een regenpijp van een dak geblazen. ’t Is bijna tien uur ’s avonds, en buurvrouw Julia probeert nog uit te zoeken waar dat gevaarlijk projectiel vandaan komt. Een auto parkeert verkeerd, en de passagier blijkt een oude kennis te zijn. Blij weerzien, een brede, witte glimlach in een zwart gezicht.

Probeer het ook maar eens: velo of johnnenbak in de garage laten staan en gewoon met uw twee benen langs de Turnhoutsebaan naar huis slenteren. En kijk iedereen die ge tegenkomt recht in de ogen. Een lachske kan ook geen kwaad, wie weet krijgt ge er wel een terug.

Wij hebben namelijk alleen maar schone mensen rondlopen in ’t Stad. Met blinkende ogen vol verlangens, dromerig of duister. Gasten met klakskes of djellaba’s, madammen met te spannende jeans of bloemen in hun haar.

Ik geloof in mijn stad. Geen burgemeester, partij of polarisering die mij daar van af kan brengen. En ’t is niet eens moeilijk: gewoon rondkijken, en de liefde stroomt vanzelf uit mijn hart.

De perfecte soundtrack bij dat alles? Tourist LeMC. Merci.

Opslag

Je doet de deur van het kantoor open, stapt naar je baas en vraagt hem of haar – eventueel met knikkende knieën of zwetende handjes – om opslag. Er zijn artikels, blogs en boeken volgeschreven over hoe je dat best aanpakt. Niet te direct, maar ook niet te veel rond de pot draaien. Geen onderdanige houding, maar ook geen hautaine blik. Je eigen verdiensten in de verf zetten, zonder te overdrijven. En dan hopelijk, vanaf volgende maand, eens een keer extra een weekendje weg. Of sparen voor een nieuwe flatscreen. Zo gaan de dingen in België.

Wil je een hoger loon in Cambodja, dan is er geen praten met de baas of regering. Je moet de straat op. Je beschildert borden met slogans. Je trekt je minst deftige kleren aan, want er kan al eens geduwd, getrokken en gespuwd worden met die militairen in de buurt. Je vertrekt naar de betoging, maar niet voor je je liefste en kinderen een laatste kus hebt gegeven. Want je weet dat een slag met een ijzeren staaf, een schot van een AK47 of een messteek – afkomstig van de ordediensten – ervoor kan zorgen dat je nooit meer thuiskomt.

Opslag vragen is in Cambodja niet eens een luxeprobleem, maar een woedende schreeuw van het werkvolk. Het minimumloon in de textielsector volstaat er niet om een minimum hoeveelheid brood op de plank te krijgen. In de fabrieken vallen honderden vrouwen flauw tijdens het werk, door gebrek aan eten en door onmenselijk lange werkuren.

Van de regering krijgen de arbeiders geen opslag, maar een aalmoes. Zwijggeld. En de strijd om overleven verplaatst zich van de fabriek naar de straat. Werkers krijgen een stempel als vijand van de staat.

Bij deze een plechtig voornemen. De volgende keer dat ik zelf opslag krijg, gaat een deel daarvan naar de vakbonden in Cambodja. Want ze zijn daar verdomme nodig. Ik wil niet op een flatscreen zitten kijken naar beelden van vermoorde arbeiders.

De ochtend van 3 januari. Een stakende kledingarbeider is zwaargewond geraakt, door kogels afkomstig van ordediensten. Een foto van Magnum-fotograaf John Vink.

 

De kunst van bijna-uitgeblust

Godver. Excuseer me mijn taalgebruik, maar ik kan bijna één jaar niet-posten op mijn blog gaan verdrinken. Laten we die risicovolle gelegenheid bij deze vermijden.

Jammer genoeg wordt het werk er ook voor redactrices en redacteurs van Weekbladen niet makkelijker op. Collega’s vallen weg, taken komen erbij en de boel moet blijven draaien. Overuren worden niet geteld, vragen worden niet gesteld. Alles moet digitaal, zonder dat er extra vingers voor toetsenbord en muis worden ingeschakeld.

Ook als freelancer voor de krant gaat de zweep erop in het weekend: zes stukken per dag, plus een handvol foto’s, dat is dagelijkse kost voor veel collega-journalisten. Een schizofrene persoonlijkheid kan daarbij helpen om het overzicht te bewaren. Ik heb eens één weekenddag volop meegedraaid en was op het einde van de dag (20 uur) te afgemat om nog maar de koelkast open te trekken. Gelukkig is er mijn favoriete afhaalchinees.

Maar ik wil niet teveel aan zelfbeklag doen. Mensen hun werk- en levensverhaal ontfutselen, hun dromen aanhoren, hun woede en verontwaardiging in tekst gieten: dat blijft nog altijd een aangename bezigheid tussen 9 en 5. (nu ja, steeds meer 6)

Op café en op familiefeestjes hoor ik gelijkaardige verhalen, die dreigend blijven echoën in mijn geheugen. Vriendin A wordt elke dag heen en weer geslingerd tussen incompetente managers die elkaar naar het leven staan en haar het werk onmogelijk maken. Vriend B was apetrots op zijn eerste job: een tijdelijke in de IT-sector. Met wéékcontracten; handig om de maandelijkse huur mee te betalen. Vriendin C, waarvan ik dacht dat ze nooit klein te krijgen was, zit al voor de tweede keer thuis omdat het werk haar teveel wordt.

Familielid D werd ontslagen na exact zes maanden ziekteverlof: geen dag teveel wilde het bedrijf hem betalen voor de chronische rugpijn die hij daar in het magazijn had opgelopen. Familielid E is al een tijd werkzoekend, omdat ze jaren van studie en werkervaring niet overboord wil gooien om te gaan schoonmaken. Kennis F zat drie maanden thuis met een burn-out (en als het nog lang duurt, zit ook vriendin C in dat straatje; wedden?).

Ik kan nog even doorgaan, maar dan wordt het saai. You get the picture. Ik heb het zonder uitzondering over twintigers en dertigers: jonge, energieke, levenslustige mensen, herleid tot bijna-uitgebluste mensen. Dat ze allesbehalve uitzonderingen zijn, bewees deze jongedame met haar intussen meer dan 15 miljoen keer bekeken ontslag-dansvideo. ‘Bijna twee jaar lang heb ik mijn relaties, energie en tijd opgeofferd voor mijn werk. En alles waar mijn baas om geeft, zijn de cijfers. So I quit.’

Een ceo stond er onlangs bij stil in De Tijd en leek daarmee het warme opiniewater te hebben uitgevonden. Maar alle soorten werkvolk weet het al langer: het moet harder, faster, stronger, more. En op het loonbriefje liefst softer, slower, weaker, less. De kunst van bedrijfsleiden is om je mensen nét niet teveel uit te persen, zodat ze nog nét aan het werk kunnen blijven. Beloven dat het beter zal gaan, als die crisis – oh economische wet van Godwin – ooit weer voorbij is.

Straf dat er eerst iemand het loodje moet leggen, of moet gaan dansen op kantoorstoelen, voor ceo’s dat beseffen. Luisteren naar je werknemers volstaat ook, hoor.

Met deze 10 tips zijn je webteksten nooit meer dezelfde

1. Een korte tekst of een lange?

Je leest het goed: een lange tekst op het web, dat mag. Alles hangt af van het niveau waar je tekst zich bevindt.

  • Op een homepage beperkt tekst zich tot één of twee zinnen, om te teasen.
  • Klik je door, dan kom je bij teksten van maximum enkele alinea’s, die meer info geven.
  • Kan je dan nog doorklikken naar een derde niveau, dan stuit je op langere teksten die dienen als verdieping.

Dat kan er zo uitzien:

  1. “Wat doet Oxfam voor het klimaat?”
  2. kort artikel over de link van Oxfam met klimaat
  3. lang, gedetailleerder artikel over de activiteiten van Oxfam die iets te maken hebben met klimaat.

2. Kies voor carewords.

Welke woorden zal iemand ingeven in Google om op zoek te gaan naar de info die jij in je webartikel brengt? Gebruik deze. Niet alleen in je tekst, maar ook in je titel en tussentitels.

Missing careword3 Missing careword2 Missing careword

Herhaal deze carewords. In een tekst over ebola gebruik je beter 5 keer het woord ebola dan een reeks literaire afwisselingen tussen “ebola”, “het virus”, “de ziekte” en “de hemorragische koorts”.

3. Maak je tekst scanbaar.

Structureer. Je lezer is misschien niet geïnteresseerd in de eerste twee alinea’s (over wat tweedehandswinkels doen), maar wel in de derde alinea (over waar je tweedehandswinkels vindt). Neem hem bij het handje en stuur hem de juiste richting in.

Kies voor je tekst:

  • een goede kop
  • een korte lead
  • korte alinea’s (= twee of drie zinnen)
  • carewords
  • veel tussentitels
  • witregels en harde returns
  • links
  • een foto
  • bullets

Een tussentitel boven elke alinea is niet overdreven. Het geeft ruimte aan je tekst en maakt hem 100% scanbaar.

4. Maak het verschil tussen een nieuwsartikel en een statische pagina.

Voor een nieuwsartikel: hou het kort en sec. Geen lange inleiding; begin met je nieuws. Maak je tekst ‘oprolbaar’: het belangrijkste nieuws eerst, de minder belangrijke info naarmate het artikel vordert. Zet call-to-actions niet onderaan je tekst, want veel weblezers raken daar niet.

Voor een statische pagina: de tekst mag wat langer, op voorwaarde dat je hem goed structureert. Tussentitels en carewords zijn zo mogelijk nog belangrijker voor een statische pagina.

5. Een goede kop? Trek meteen de aandacht.

De kop is het eerste wat je lezer ziet. De kans is groot dat je lezer niet eens verder scrolt, dus je moet zijn aandacht meteen te pakken krijgen. Gebruik carewords in de kop (dat vindt Google geweldig!) en leg de link met je lezer (met een vraag, prikkelende woorden, aanspreking, empathie).

Bijvoorbeeld: “People’s Climate March: The Story”. Of: “Welke risico’s willen we nog nemen in Syrië?”

Welke van de twee volgende titels spreekt jou het meest aan?

“Acties voor voedselzekerheid in gans Vlaanderen?
Of…
Kop2

“Teken de petitie om vrachtschepen met illegaal hout tegen te houden”?
Of…
Kop1

6. Beperk de woorden die verwijzen naar elders in de tekst.

Zoveel mogelijk te vermijden: daarom, op die manier, zoals vermeld, deze, die, dat….

Je lezer scant en slaat stukken tekst over. Hij moet dus op elk moment kunnen inpikken. Als je je lezer verwijst naar een stuk tekst dat hij niet gelezen heeft, haakt hij af.

7. Wees creatief wanneer je je lezer doorverwijst.

Weinig mensen willen “meer weten” of “meer lezen”. Maar: “Ontdek meer over chocolade in Guatemala”, wie wil dat nu niet? Wil je mensen naar de Trailwalker-site sturen, verleid hen dan met “Stap mee met Oxfam Trailwalker” in plaats van “Meer weten over…”. Vergeet een flauw “Laat hier je gegevens achter als je het thema ongelijkheid interessant vindt”, ga voor “Join the inequality movement!”

Blijf wel duidelijk: je lezer wil weten waar hij terecht zal komen wanneer hij op je link klikt.

8. Spreek je lezer rechtstreeks aan.

Tel. Hoeveel keer gebruik je het woord “wij” in de tekst, en hoeveel keer “jij” of “u”? Je kan er niet van uit gaan dat de lezer sowieso geïnteresseerd is in wat “wij” doen. Maar als het over hem/haar gaat, is aandacht gegarandeerd.

“Wij” kan je wel gebruiken om een community-gevoel te creëren: wij = auteur + lezer samen.

Welke titel prikkelt jou meer?

  • “De uitdagingen in Nicaragua”
  • “5 dingen die je nog niet wist over Nicaragua”?

Welke openingszin zet jou het meest aan tot lezen?

  • “Oxfam wil de klimaatverandering tegengaan”
  • “Misschien doe jij al wat je kunt om de klimaatverandering tegen te houden? Ook Oxfam blijft niet aan de kant staan”.

Aanspreken1 Aanspreken2

Aanspreken3

9. Zet geen zinnen cursief.

Geen citaten, geen alinea’s, geen titels. Dat leest bijzonder moeilijk op scherm, want cursiveren verlaagt de leessnelheid.Je lezer haakt hierdoor af. Eén of enkele woorden cursief, om iets te benadrukken, kan nog net.

10. Bullets.

Bullets. We love them. Readers love them. Waarom?

  • Een weblezer worstelt zich niet graag door lange, literaire volzinnen.
  • Een opsomming op een webpagina maakt je tekst nog meer scanbaar.
  • De structuur van je tekst wordt op slag duidelijk en zichtbaar: 3 argumenten, mooi onder elkaar.